Grasmus

Grasmus - Sylvia communis

• Orde: zangvogels – Passeriformes ;
• Familie: zangers – Sylviidae;
• Lengte: 14 cm;
• Spanwijdte 20 – 23 cm;
• Biotoop: laag struweel met een dichte kruidenvegetatie en enkele bomen die als uitkijkpost kunnen dienen. Allerlei landschappen: heide, jonge bosaanplant, parken, boerenland, duinen;
• Voedsel: insecten, zoals rupsen en spinnen, maar ook vruchten;
• Periode: vanaf half april / half mei tot augustus/ september. Overwinteren in westelijke Sahel-regio;
• Aantal broedparen: 130.000 – 225.000;
Ondanks zijn naam is de Grasmus niet verwant aan de Huismus. Het is qua uiterlijk geen opvallende vogel. Zijn zang is wel opmerkelijk. De Grasmus is vooral een bewoner van ruige gebiedjes met hoog opschietende onkruiden, afgewisseld met doornstruiken. De meeste kans heeft men dus om op de Vallei-lus de Grasmus te zien.
De Grasmus is als pioniersoort van jonge vegetaties te beschouwen. In stedelijk gebied is de soort zeldzaam. Als overwinteraar in de Sahel is de Grasmus erg gevoelig voor droogtes aldaar. In de jaren ’60 is de Nederlandse populatie volledig ingestort. Echter, vervolgens is de Grasmus weer sterk toegenomen, vooral in de duingebieden.